KIMO richtlijn gebitsslijtage voor blijvende elementen 2025
1. Wat is gebitsslijtage
Gebitsslijtage is het geleidelijke verlies van harde tandweefsels – glazuur, dentine en cement – zonder dat er sprake is van gaatjes (cariës), resorptie of een ongeluk. Het is een multifactorieel proces, wat betekent dat er vaak meerdere oorzaken tegelijk een rol spelen.
Waar vroeger gesproken werd over erosie, attritie en abrasie, gebruikt de nieuwe richtlijn de overkoepelende term gebitsslijtage. In de praktijk gaat het vrijwel altijd om een combinatie van chemische en mechanische factoren.
Waarom is gebitsslijtage belangrijk?
Tanden hebben naast kauwfunctie ook een rol in spraak, esthetiek en zelfvertrouwen. Bij gevorderde slijtage kunnen klachten ontstaan zoals:
- Gevoelige tanden (vooral bij koud of zuur eten en drinken)
- Esthetische problemen, zoals korter of vlakker wordende tanden
- Functionele klachten, zoals moeite met kauwen of brekende tandranden
2. Oorzaken van gebitsslijtage (etiologie)
De nieuwe richtlijn benadrukt dat gebitsslijtage bijna altijd multifactorieel is . Vaak werken chemische en mechanische processen samen. Een tandarts probeert altijd te achterhalen welk aandeel elke oorzaak heeft, zodat de behandeling en preventie goed kunnen worden afgestemd.
Chemische oorzaken: advies erosieve gebitsslijtage
Chemische gebitsslijtage ontstaat door zuren die het glazuur en dentine aantasten. Hierbij worden geen bacteriën betrokken.
• Chemisch intrinsiek: zuren die vanuit het lichaam zelf in de mond komen, zoals maagzuur bij reflux of braken (bijvoorbeeld bij eetstoornissen).
• Chemisch extrinsiek: zuren van buitenaf, vooral uit voeding en dranken zoals frisdrank, vruchtensappen, sportdranken en wijn. Ook frequent zwemmen in chloorwater kan een rol spelen.
Klinische tekenen hiervan zijn onder andere:
• Cupping: kleine kuiltjes op de knobbels van kiezen
• Cratering: grotere kraters bij gevorderde slijtage
• Grooving: gleufvorming bij snijtanden
• Hoogstaande restauraties: vullingen die uitsteken omdat omliggend glazuur sneller slijt
Voor adviezen over chemische gebitsslijtage kan je naar de uitgebreide informatie hierover van het Ivoren Kruis kijken.
Mechanische oorzaken van gebitsslijtage
Mechanische slijtage ontstaat door tand-tandcontact of externe krachten.
• Mechanisch intrinsiek: slijtage door tandcontact, zoals klemmen of tandenknarsen (bruxisme). Dit kan een vlak slijtagebeeld geven, alsof het gebit “afgeschaafd” is.
• Mechanisch extrinsiek: slijtage door externe gewoonten, zoals nagelbijten, kauwen op pennen, of te hard poetsen met een tandenborstel.
Vaak een combinatie van chemische en mechanische factoren
In de praktijk zien we vaak een combinatie van chemische en mechanische factoren. Bijvoorbeeld: iemand die veel energiedrankjes drinkt (chemisch) en ook knarst in de nacht (mechanisch) heeft een extra hoog risico op snelle slijtage.
3. Symptomen en herkenning
Gebitsslijtage is doorgaans een sluipend proces en vaak pas laat symptomatisch. Toch zijn er klinische kenmerken die in de praktijk direct herkenbaar zijn en aanleiding moeten zijn tot nader onderzoek of monitoring.
Klinische kenmerken van gebitsslijtage
- Facetten en vlakke vlakken op occlusale of incisale oppervlakken, vaak spiegelsymmetrisch bij attritie.
- Cuppings en cratering bij extrinsieke of intrinsieke erosie, soms met scherp begrensde laesies.
- Uitstekende restauraties (vullingen die boven het glazuuroppervlak uitkomen).
- Verkleuringen door blootliggend dentine of secundaire verkleuring in erosieve laesies.
- Afbrokkelende randen of fissuren, vooral bij jonge patiënten met dun glazuur.
Symptomen bij de patiënt
Hoewel patiënten vaak laat klachten rapporteren, kan men letten op:
- Overgevoeligheid voor thermische en chemische prikkels.
- Esthetische zorgen (kortere, doorschijnende of onregelmatige incisieven).
- Functionele beperkingen: verlies van occlusale verticale dimensie bij ernstige slijtage.
De richtlijn benadrukt het belang van vroegtijdige herkenning: niet alleen ernstige, maar juist beginnende slijtage moet geregistreerd worden om progressie te kunnen volgen.
4. Screening en het vervolg
De Richtlijn Gebitsslijtage (KIMO, 2025) adviseert een gestructureerde aanpak waarin zowel visuele inspectie als risicobeoordeling centraal staan.
Systematische screening
- Jaarlijkse of tweejaarlijkse visuele screening bij reguliere periodiek mondonderzoek
- Bij jeugdigen en jongvolwassenen extra alert zijn, gezien de snelle progressie in deze groep.
- Gebruik van TWES 2.0 als scoringsinstrument, waarbij per vlak een score (0–4) wordt toegekend.




De richtlijn positioneert screening niet als een eenmalige handeling, maar als een continu proces van screening of monitoring en herbeoordeling.
5. Diagnostiek
Diagnostische middelen
• Klinische beoordeling met TWES 2.0 → objectieve vastlegging van ernst en uitgebreidheid.
• Fotografie en intra-orale scans → longitudinale vergelijking van progressie, conform de richtlijn wordt minimaal elke 2–3 jaar een herregistratie geadviseerd.
• Speekselanalyse → indicatie bij vermoeden van hyposialie (bijv. medicatiegebruik, systemische aandoeningen).
• Anamnesevragen gericht op voedingsgewoonten, bruxisme en medische risicofactoren (o.a. reflux, ADHD-medicatie, eetstoornissen). De vragenlijsten vind je in de richtlijn en op de KIMO site:
Diagnose in context
- Diagnostiek gaat verder dan de laesie: de etiologische factor(en) moeten geïdentificeerd worden.
- Multifactoriële analyse: vaak combinatie van chemische erosie en mechanische belasting.
- Documentatie van de initiële status is cruciaal als referentiepunt voor toekomstige behandelingskeuzes.
De diagnose schrijf je volledig uit conform de systematiek van de richtlijn. Dentiva heeft een handige tool, waarbij je slechts de antwoorden op de vragen hoeft aan te klikken. Daarna krijg je een tekst die je in het patiënten dossier kan plakken.
6. Monitoring van gebitsslijtage
Frequentie
Standaard: herbeoordeling elke 2–3 jaar, tenzij er klinische of subjectieve aanwijzingen zijn voor snellere progressie.
Hoog-risicopatiënten (bijv. reflux, eetstoornissen, zwaar bruxisme, polyfarmacie): jaarlijkse controle of vaker indien klinisch geïndiceerd.
Methodiek
• TWES 2.0: herhaald gebruik geeft objectieve data over veranderingen in ernst en uitgebreidheid.
• Intra-orale fotografie: seriële foto’s (occlusaal en buccaal) maken vergelijking eenvoudig.
• 3D-intra-orale scans: nauwkeuriger voor volumetrische analyse, en waardevol bij patiënten met hoog risico of snelle progressie.
• Modellen: analoge studie- of gipsmodellen zijn minder praktisch, maar nog steeds bruikbaar als baseline in praktijken zonder scanner.
Klinische besluitvorming
• Geen of geringe progressie → volstaan met preventieve adviezen en periodieke monitoring.
• Snelle progressie → noodzaak tot etiologische analyse en bespreking van aanvullende maatregelen of restauratieve opties.
• Communicatie: bespreek met de patiënt altijd de bevindingen en toon visueel (foto’s/scans) om motivatie en therapietrouw te bevorderen.
7. Preventieve maatregelen
Algemene preventieve maatregelen
• Voedingsadviezen: beperken van frequent zuurgebruik (frisdrank, sportdrank, vruchtensap, wijn). Frequentie belangrijker dan inhoud.
• Mondhygiëne: adviseren om pas 30–60 minuten na zuurbelasting te poetsen; gebruik zachte borstel en milde tandpasta.
• Gedragstherapie: bewustwording en begeleiding bij parafuncties zoals nagelbijten of penkauwen.
De adviezen over het algemeen preventief beleid en de patiënten informatie staan goed uitgewerkt op de site van het Ivoren Kruis.
Specifieke maatregelen
• Reflux / braken: verwijzing naar huisarts of MDL-arts; medicamenteuze behandeling of leefstijlaanpassing.
• Bruxisme: overwegen van een beschermende splint (nachtplaat), in combinatie met stressreductie of fysiotherapie.
• Hyposialie (bijv. medicatie zoals ADHD-middelen, antidepressiva, antihypertensiva): stimuleren van speeksel (suikervrije kauwgom, zuigtabletten), fluoridetoevoeging, eventueel substitutiepreparaten.
• Zuur hobby’s/werk (bijv. veel zwemmen, wijnproeven): aanvullende instructies op maat.
Professionele ondersteuning
• Fluorideapplicaties: lakken of gels ter versterking van glazuur.
• Sealants/coatings: bij jeugdigen of hoogrisico patiënten soms geïndiceerd om kwetsbare vlakken te beschermen.
• Motiverende gespreksvoering: bewezen effectief om gedragsverandering (voeding, poetsgedrag, splintgebruik) te ondersteunen.
De richtlijn stelt duidelijk: preventie is de eerste behandelstrategie, en succes hangt grotendeels af van patiëntmotivatie en herhaaldelijke evaluatie.
8. Wanneer restauratief behandelen?
De richtlijn Gebitsslijtage (KIMO, 2025) benadrukt dat restauratieve behandeling pas geïndiceerd is wanneer de slijtage functie- of levenskwaliteit bedreigt. Het uitgangspunt blijft: zo lang mogelijk non-invasief.
Indicaties voor restauratief ingrijpen
• Functieherstel
• Verlies van occlusale verticale dimensie (OVD) met kauw- of spraakproblemen.
• Progressieve collaps van het occlusale vlak.
• Symptoomverlichting
• Persisterende dentinegevoeligheid ondanks preventieve maatregelen.
• Esthetiek
• Uitgesproken esthetische hinder (kortere of doorschijnende incisale randen).
• Progressieve slijtage ondanks preventie
• Bij goed gedocumenteerde progressie die niet onder controle te krijgen is met gedragsaanpassingen of splint.
FAQ Veelgestelde vragen over gebitsslijtage
De oorzaken zijn chemisch, mechanisch of een combinatie van beide. Chemische oorzaken kunnen intrinsiek (maagzuur, reflux) of extrinsiek (zure dranken, voeding) zijn.
Voor de classificatie bij de screening gebruiken we de TWES methodiek. TWES staat voor Tooth Wear Evaluation Index. TWES onderscheidt 5 categorieën van 0 tot en met 4.
TWES staat voor Tooth Wear Evaluation Index

Afhankelijk van de hulpvraag bij de patiënt kan je volstaan met een algemeen preventief advies, of moet je door naar een meer volledige diagnostiek.